Maar een gezonde hond begint bij de geboorte van de hond, en hier is de fokker degene die daar veel invloed op heeft. De verantwoording begint al bij de selectie van de ouderdieren. Erfelijke gezondheidsaandoeningen kunnen via het fokken simpel worden doorgegeven aan de pups. Gelukkig is het bij de meeste rashonden inmiddels goed geregeld. Er zijn rasvereningen die eisen stellen aan de kennels, en die zelfs controleren of de ouderdieren bij elkaar passen. Niet alleen voor de gezondheid, maar ook de raskenmerken worden hiermee bewaakt en op die manier zorgen we met elkaar dat het ras zuiver blijft en dat erfelijke aandoeningen uit het ras gefokt worden. Voor Tollers is veel informatie te vinden op de websites van de
Nova Scotia Duck Tolling Retriever Club NL en de
Vereniging voor de Nova Scotia Duck Tolling Retriever. Wij fokken volgens het
fokreglement van de NSDTRC NL, wat voor de toekomstige eigenaren van de pups de zekerheid geeft dat er alles aan gedaan is om voor gezonde Tollertjes te zorgen. Overigens geeft dit geen garantie hierop!
Voordat je kunt fokken moeten de ouderdieren getest worden op een aantal erfelijke aandoeningen:
1: De erfelijke oogaandoening 'distichiasis'.
Distichiasis kan worden omschreven als enkele, een rij of meerdere rijen haren groeiend in de ooglidrand. Zij zijn nog iets verder naar binnen op de ooglidrand ingeplant, dan wimpers bij de mens. Het zijn dus extra haren, want een hond heeft geen wimperharen, zoals de mens.
In een jaarlijks te herhalen onderzoek door een erkend dierenarts wordt gecontroleerd op distichiasis. Als blijkt dat de hond niet vrij is van distichiasis maar geen vorm heeft die klinische klachten geeft dan mag er gewoon gefokt worden met de hond. De partner dient dan wel geheel vrij te zijn van distichiasis.
2: HD of heupdysplasie. Dit is een afwijking aan de heupgewrichten.
Tijdens de groei van de jonge hond verloopt de ontwikkeling van de heupgewrichten niet normaal, de heupgewrichten zijn verslapt. Hierdoor raken de heupgewrichten misvormd, wat in ernstige gevallen kan leiden tot (ernstige) kreupelheid. Naast erfelijke oorzaken zijn er meer oorzaken van HD aan te wijzen.
- Puppies die te dik zijn tijdens de groei hebben een verhoogde kans om later HD klachten te ontwikkelen.
- Beweging. Te weinig beweging is slecht maar ook verkeerde beweging is slecht zoals veel trappen lopen.
- Spierontwikkeling. Als de spierontwikkeling onvoldoende is krijgen de heupen het zwaarder te verduren wat de kans op HD vergroot.
- Groeisnelheid, puppies die te snel groeien (vaak door te veel voer of door de hele dag eten ter beschikking stellen) hebben verhoogde kans op HD
- Slechte voeding. Teveel aan mineralen (o.a. calcium en fosfor), te energierijk voer of teveel eiwitten is slecht voor de botontwikkeling en daarmee ook voor de heupen.
Voor het fokken moeten beide ouderdieren zijn onderzocht op HD. Dit is een éénmalig röntgenonderzoek (welke moet zijn erkend door de Raad van Beheer). Honden met een uitslag HD-A (vrij) of HD-B (overgangsvorm) mogen in iedere willekeurige combinatie nakomelingen krijgen. Honden met uitslag HD-C, D of E mogen niet voor de fok ingezet worden. Naast de HD beoordeling wordt er ook een Norbergwaarde genoemd in het rapport. Deze waarde geeft de diepte en aansluiting van het gewricht aan. De Norbergwaarde van de linker- en rechterheup worden bij elkaar opgeteld en geven de "Som Norbergwaarden".
Bij een normaal heupgewricht is de Norbergwaarde minstens 15, de som dus derhalve 30. Honden met een lage Norbergwaarde hebben dus ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen. Deze zullen een minder gunstige HD-beoordeling krijgen. Een normale of zelfs hoge Norbergwaarde betekent niet automatisch dat de hond goede heupgewrichten heeft. Diepe heupkommen maar een niet overal even brede gewrichtsspleet of onvoldoende aansluiting kan, zelfs bij een hoge Norbergwaarde, leiden tot een (licht) ongunstige HD beoordeling.
3. prcd-PRA status.
PRA staat voor Progressive Retina Atrofie. Dit is een groep oogziekten die netvliesaandoeningen geeft. Binnen deze groep is er één die bij Tollers kan voorkomen, de Progressive Rod-Cone Degeneration of prcd-PRA. prcd-PRA kan worden vastgesteld door middel van een DNA onderzoek. Een bloedmonster wordt beoordeeld bij de firma Optigen in de Verenigde Staten. De uitslag kan bestaan uit 3 mogelijkheden:
- Pattern A (clear / vrij van PRA)
- Pattern B (drager van het PRA gen)
- Pattern C (lijder)
Een hond met Pattern B is alleen drager. De hond zal nooit zelf PRA ontwikkelen, maar kan het gen wel doorgeven aan nakomelingen. PRA is uit het ras te fokken door zorgvuldig fokbeleid. Sinds begin 2006 is volgens het fokreglement een PRA test verplicht, en gelden de volgende fokrichtlijnen:
Met zowel pattern A, B als C mag de hond worden ingezet voor de fok. Honden met pattern B en C dienen wel uitsluitend te worden gekruist met een partner met pattern A. Hieronder een overzicht welke nakomelingen ontstaan uit de diverse combinaties:
A X A geeft pups die allemaal A zijn.
A X B geeft 50% pups met A en 50% pups met B.
A X C geeft pups die allemaal B zijn.
B X B geeft 50% pups met B, 25% pups met A en 25% pups met C
B X C geeft 50% pups met B en 50% pups met C
C X C heeft 100% pups met C
Door goed fokbeleid is het eenvoudig te voorkomen dat er pups komen met pattern C en dus daadwerkelijke kans op het ontwikkelen van de ziekte. Soms gaan kopers van pups zich helemaal focussen op deze uitslagen, en willen het liefst alleen een pup met PRA pattern A en heupen HD-A. Dit is niet nodig en ook niet wenselijk. Zoals hier boven te lezen is kan er uitstekend worden gefokt met honden die niet de allerbeste uitslagen hebben. Andere zeer belangrijke factoren, zoals raskenmerken, karakter etc. mogen niet uit het oog verloren worden. Staar dus jezelf niet blind op de rapporten, maar ga wel goed na of de combinatie van de ouderdieren geen risico's geeft. Volgens de regels van de club moeten kennels aankondigen met welke 2 honden men wil gaan fokken, en pas na een positief oordeel van de club (waarin ook alle gezondheidsrapporten naast elkaar gelegd worden) vindt daadwerkelijke dekking plaats. Weer een extra garantie voor de kopers dat er alles aan gedaan is om problemen te voorkomen.
CEA of Collie Eye Anomaly.
CEA is een verzamelnaam van een groep ontwikkelingsstoornissen van het netvlies. CEA komt voor bij de Schotse Collie, Border Collie, Sheltie en de Bearded Collie. Zeer recentelijk is ontdekt dat CEA ook bij Tollers kan voorkomen (bij het ontstaan van het ras zijn collieachtige honden gebruikt....)
CEA kan net als PRA door middel van een DNA test worden vastgesteld (ook bij Optigen te New York), en net als bij PRA zijn de mogelijke uitslagen:
A - vrij
B - drager (de hond kan zelf nooit CEA ontwikkelen)
C- lijder (er is een kans dat de hond CEA zal ontwikkelen)
Net als bij PRA kan door zorgvuldig fokbeleid voorkomen worden dat er pups met pattern C komen. A X B geeft 50% pups met A en 50% pups met B etc.
CEA is geen verplichte test bij het fokken met Tollers. Gelukkig zijn er fokkers en eigenaren die het voortouw nemen en de dieren laten testen op CEA, met het risico dat ze hierdoor beperkter raken in de keuze van combinaties. Op
de site van de club is bij 'de toller' , vervolgens 'gezondheid' en dan 'PRA' of 'CEA' meer informatie en een actuele lijst van geteste Tollers terug te vinden.
Wij willen risico's op erfelijke aandoeningen zoveel mogelijk uitsluiten, dus Miccy is inmiddels ook getest op CEA. Ze blijkt drager te zijn, wat voor ons betekent dat toekomstige dekreuen altijd CEA vrij moeten zijn. Op die manier is er geen enkel risico voor de pups. Miccy is overigens prcd-PRA vrij (evenals Sarah), en heeft HD-A